Terras

Wij Nederlanders klagen wat af. Soms is dat terecht. Zoals in het geval van de horeca. Zelden of nooit zit ik op een terras waar van begin tot eind alles perfect verloopt. 'Hallo' is tegenwoordig de wel erg amicale begroeting, en dan mag je nog van geluk spreken dat je meteen wordt opgemerkt. Veel vaker heeft het personeel een professionele cursus de andere kant op kijken gehad, zodat je meestal onmachtig zwaaiend de aandacht probeert te trekken. De beweging die daarbij gepaard gaat is een beetje zoals de begroeting van een bekende, waarbij je halverwege constateert dat het heel iemand anders is. Je arm is al volop zwaaiende bewegingen aan het maken en om dat nog enige zinvolle betekenis mee te geven begin je maar je rug te krabben.

Als het dan eindelijk gelukt is om het personeel jouw kant op te krijgen, ontstaat het volgende probleem: je zit niet in hun wijk. Of ze zijn van de afdeling afrekenen. Of, als je wilt afrekenen, juist weer van de afdeling bestellingen opnemen. Enfin, er is altijd wel wat, en altijd krijg je te horen 'mijn collega komt zo bij u.' Dan komt de medewerker die eerst structureel de andere kant op keek toch maar eens jouw kant op gelopen. En vraagt: u had wat willen bestellen? Ook zoiets: horecamedewerkers praten altijd in de verleden tijd, waarschijnlijk om je het gevoel te geven dat het toch echt aan jou ligt - zij stonden er al die tijd al, had je maar duidelijker moeten zwaaien.

Nu we het toch over het vocabulaire hebben: ze praten ook altijd in verkleinwoorden. Een wijntje, een colaatje, een espressootje. Dat van dat espressootje klopt trouwens; meestal is er welgeteld één hele boon vermalen om jouw kopje van koffie te voorzien. Om dat voor te zijn bestel ik altijd een dubbele espresso. Dan krijg je dezelfde hoeveelheid, maar dan in een iets grotere kop.

Kortom: altijd wel iets te klagen. Dus toen ik las dat het terras van Brasserie Staverden was uitgeroepen tot het beste van Nederland, dacht ik: dát zullen we nog wel eens zien. En toog er op een zonnige zomermiddag heen. Daar leek het of het aan een permanente inspectie van het keurkorps werd onderworpen. Naast mij bestelde een meneer een glas rosé. Eenmaal door de ober ingetikt op het mobiele apparaat wijzigde hij de bestelling naar bier. Iets verderop klaagde een mevrouw dat haar tafeltje wiebelde. Alles werd met een glimlach opgelost. Ikzelf bestelde een verse jus en een broodje, maar dan zónder tomaat. Niet om te sarren; ik ben allergisch voor tomaat - al geef ik toe dat ik lichtelijk expres iets had uitgezocht waar tomaat op zat. En inderdaad werd even later een broodje zonder tomaat geserveerd. Mijn laatste redmiddel: de dubbele espresso. En warempel, ik kreeg een grote kop geheel gevuld met het zwarte goud; veel dubbeler werden ze niet.

Ja, zo was er niks meer aan natuurlijk. Er viel helemaal niets te klagen. Dat voelde toch een beetje als een klacht.

Martijn Muijs.